Ze zeggen dat ze gek is.
Iedereen denkt het, maar niemand die het haar in het gezicht durft te zeggen: dat ze een heks is.Ze woont in een klein huisje aan de rand van het dorp. Ze heeft twee katten. Een zwarte en een witte. Tot voor kort had ze er nog drie. Maar het arme beest was van ouderdom gestorven. Hij was al een tijdje moeilijk te been en op een morgen lag hij dood in de achtertuin met zijn ogen wijd open. De zwarte gecastreerde kater, vijftien jaar oud. Haar lievelingskat; een enorm beest met akelige grote hoektanden. De kinderen in de buurt liepen met een boog om hem heen wanneer hij op de stoep voor haar huisje lag te zonnen. Soms gooiden ze met stenen naar hem. Soms riepen ze lelijke woorden: satan of heksenjong of zwarte heks. Dat laatste was aan haar gericht. Ze had het wel gehoord. Nochtans was ze in het huis.
Ze komt haast niet buiten. Alleen voor het hoogstnoodzakelijke: winkelen of haar tuintje onderhouden.
Met de mensen in de buurt komt ze zelden in aanraking. Er wordt over haar geroddeld, dat weet ze. Ze ziet dat aan de gezichten van de mensen als ze die op straat tegenkomt. Of in de winkels, wanneer ze binnenkomt en de gesprekken verstommen. Alle ogen op haar gericht. Ze bestelt wat ze nodig heeft en rept zich de winkel uit. Bang voor hun vijandige blikken. Bang voor hun afkeuring.
Niemand weet wie ze is en waar ze haar dagen mee vult. Niemand kent haar eenzaamheid wanneer ze alleen in haar huisje zit met enkel de katten als gezelschap.
In de middeleeuwen zou men haar tot de brandstapel hebben veroordeeld. Een zonderlinge vrouw met een zwarte kat, die altijd in het zwart gekleed loopt. Een vrouw waarvan men niet weet wat ze doet. Misschien brouwt ze toverdrankjes in haar eentje?
Miranda leest het stukje tekst door dat ze die morgen geschreven heeft. Een stukje dat past in een groter geheel: de roman waar ze nu al meer dan drie jaar mee bezig is.
Ze stopt met lezen. In haar ooghoeken wellen enkele tranen op. Miranda denkt aan haar zoontje. Het kind dat men haar heeft afgenomen en die nu bij zijn vader woont. Ze mag hem nooit meer zien.
Na de geboorte van Kevin was Miranda zwaar ziek geworden. Ze kreeg aanvallen van hysterie en sloeg dan stukken van het servies en het meubilair aan diggelen. Achteraf kon ze zich niet meer herinneren wat zij gedaan had. Omdat ze vreesde dat ze haar kind ongewild kwaad zou berokkenen, vroeg ze advies aan haar huisarts: een oudere man en tevens de enige dokter in het dorp. Hij verwees haar door naar een psychiater in de stad.
Met zaken van de geest wist hij zich geen raad, zei hij. Dat was werk voor een zielenknijper.
Miranda volgde zijn raad op en voor ze het goed en wel besefte zat ze in een krankzinnigengesticht. Op de afdeling zwaar gestoorden.
Om te genezen, zei de dokter.
Om te genezen, zei haar man.
Om te genezen, zei haar moeder.
Maar wat zou er in godsnaam van haar kind worden? Wie zou er voor hem zorgen?
Ze hoefde zich geen zorgen te maken, verzekerde haar man haar. Hij zou voor Kevin zorgen. Hij zou een tijdje verlof zonder wedde nemen. Tot ze genezen was.
Hoelang dat dan zou duren? Dat wist zelfs de dokter niet.
Geduld, zei hij, geduld. Zaken van de geest vragen tijd.
Weken, maanden gingen voorbij. Miranda was nog steeds niet beter. Ze zat zwaar onder de medicatie. Medicatie die haar zouden genezen, had men haar voorgehouden.
De psychiater had inmiddels een indrukwekkend rapport geschreven over haar ziekte. Post-natale depressie noemde hij het. Een zware stoornis waarbij de moeder gebukt gaat onder depersonalisatieverschijnselen en extreme, ongegronde haat tegenover haar pasgeboren kind.
Miranda had haar kind nooit gehaat. Ze hield van hem.
Haar man kwam haar regelmatig bezoeken. Af en toe bracht hij Kevin mee. Op die momenten fleurde Miranda zichtbaar op. Dan vergat ze even zichzelf en haar ellende. Ze mocht hem even in haar armen houden, onder strikt toezicht van haar man. De tijd vloog veel te vlug voorbij. Nadien, wanneer man en kind verdwenen waren, verviel ze in een diepe melancholie. Soms duurde dat tot hun volgende bezoek. Soms probeerde ze zich ertegen te verzetten en lukte dat. Maar de pillen vervlakten al haar gevoelens, zowel de negatieve als de positieve.
Hoe zou ze in dit oord, in deze toestand kunnen genezen, vroeg ze zich af? Alle dagen dezelfde moordende monotonie. Gekken die binnengebracht worden en ‘genezen’ gekken die de instelling verlaten. Waarom kon zij niet tot de tweede categorie behoren? Wat moest ze doen om hier uit te raken?
Je moet meer je best doen, zei de psychiater. Je blijft apathisch en zo kun je niet genezen.
Wat moet ik dan doen, had ze hem gevraagd.
Meer meewerken met de therapie, zei hij.
Maar dat doe ik toch, zei ze
Niet genoeg, zei hij, die pillen lossen veel op maar lang niet alles. Het is aan jou om de cirkel te doorbreken.
Welke cirkel moet ik doorbreken?
Dat is aan jou, kind. Ik kan niet alles voor je oplossen.
Dat vraag ik niet. Het is me alleen niet duidelijk waar ik moet beginnen.
Denk er maar eens over na. Je zal er wel uitkomen. Niet negatief denken. Dat duld ik niet.
Ik denk niet negatief. Die pillen maken me zo suf dat ik niet in staat ben om te denken.
Toch wel. Zonder pillen kun je voorlopig niet. Dat risico kan ik op dit moment niet nemen. Je hebt ze broodnodig. Wees gerust, over een half jaar zul je me gelijk geven.
Een half jaar!
Dat is niet eens zo lang. Werk aan jezelf en je zult resultaten zien. Dat beloof ik je.
Ik wil hier weg. Ik wil bij mijn kind zijn. Wat vindt mijn man hier trouwens van?
Uw man heeft vertrouwen in ons. U zou dat beter ook doen.
Maar, -
Sorry, Miranda, maar je tijd is om.
Ze zou hun spelletje meespelen om haar genezingsproces te versnellen. Ze zou lachen wanneer het haar werd gevraagd. Ze zou gewillig met alle mogelijke bezigheidstherapieën meewerken. Ze zou manden vlechten, tapijten knopen en schilderijen maken. Ze zou de psychiater naar de mond praten. Zich gedragen zoals hij wilde dat zij zich zou gedragen. Ze zou er met haar man over praten. Blijk geven van haar goede wil en hij zou haar hieruit halen. Weg uit dit verderfelijke hol, waar mensen tegen hun wil in worden opgesloten omdat ze gek zijn. Slechts weinigen genezen. De meesten blijven. Sommigen komen en gaan met de regelmaat van een klok. Ze functioneren binnen noch buiten. Sociaal onaangepasten, noemen ze die hier.
De zes maanden waren verlopen als een gevangenisstraf die wordt uitgezeten. Mirandas toestand was aanzienlijk verbeterd, maar men vond haar nog niet klaar om de instelling te verlaten. Dit was voor haar weer een zware klap zodat ze tijdelijk een terugval kreeg. Toen ze zich geleidelijk aan herpakt had, kwam haar man op bezoek zonder Kevin maar met delicaat nieuws. Heel voorzichtig vertelde hij haar dat hij het moeilijk vond om nog alleen voor Kevin te zorgen. Het werd hem te veel, zei hij. Omdat er nog geen hoop was dat Miranda naar huis zou kunnen komen, had hij erover gedacht om iemand in huis te nemen voor het huishouden en voor Kevin.
Iemand vreemd, vroeg Miranda.
Hij aarzelde.
Wel?
Ik heb iemand ontmoet, zei hij, we zouden willen gaan samenwonen. Het spijt me, Miranda, dit had ik niet gepland.
Miranda ontwaakte en merkte dat ze haar handen en voeten niet kon bewegen. Ze was naakt. Ze lag vastgebonden op een matras in een klein kaal kamertje zonder ramen. Er was een deur met een klein gaatje met tralies ervoor. Achter dat raam zag ze een gezicht verschijnen.
Ze huilde. Ze herinnerde zich alles weer. Hoe ze gillend haar man te lijf was gegaan. Hoe ze zijn gelaat had opengekerfd met haar nagels. Hoe men haar had vastgegrepen en dan die snijdende pijn in haar bil. Daarna het zwarte gat…
Ze houdt een brief in haar handen. Haar vingers beven onophoudelijk. Ze leest. De scheiding. Kevin aan hem toegewezen wegens ontoerekenigsvatbaarheid van de moeder.
Het vonnis is geveld.
Liliane Melis

