< Terug naar De beleving van het ziekzijn
De wanhoop voorbij.
Bliksemslag bij heldere hemelAl vlug na mijn huwelijk kregen mijn schoonouders in de gaten dat ze meer konden aanvangen met mij dan me alleen maar uit te nodigen op familiefeestjes. Zo was het hen niet ontgaan dat ik thuis allerhande klusjes zelf opknapte. En dus duurde het niet lang voor ze me vroegen of ik hun appartementsgebouw in Brussel wat wilde opfleuren.
'Wanneer zou ik dat moeten doen?' vroeg ik met de moed der wanhoop, denkend dat ze niet verder zouden aandringen.
'Maar je bent toch elk weekend vrij,' merkte mijn schoonmoeder poeslief op. Dat een mens ook al eens moet rusten kwam niet eens bij haar op. "Het ijzer smeden terwijl het nog heet is," moet ze gedacht hebben.
'En, wat zou je willen dat ik dan doe?' vroeg ik gelaten.
'Wel, wij hebben een appartementsgebouw met drie verdiepingen en dat is in jaren al niet meer behangen en geverfd. Je zou ons heel erg plezieren als jij dat voor ons zou willen doen.' Ik durfde toen nog niet "nee" zeggen, zeker niet tegen mijn schoonmoeder en dus trok ik van dan af elke zaterdag en zondag van Leuven naar Brussel om er te verven en te behangen. Het was altijd maar werken, ik werd er misselijk van. Tijdens de week voor de Boerenbond en dan in de weekends moederziel alleen in Brussel in een vervallen appartementsgebouw. Er kwam maar geen einde aan … En dan gebeurde dit.
Op zaterdag 13 juli 1968 was ik dat werken zo beu dat ik er iets na de middag van begon te duizelen. Het koud zweet brak me uit en ik raakte in paniek. Ik vluchtte weg uit Brussel en reed als de weerlicht naar huis. Ik voelde me zo misselijk dat mijn angst omsloeg in paniek. "Straks krijg ik hier nog een hartaderbreuk," vreesde ik. Een paar maanden eerder was mijn beste vriend immers aan een hartaderbreuk gestorven en onbewust was ik gaan denken dat mij hetzelfde lot zou beschoren zijn als ik dag en nacht bleef werken, net zoals hij dat gedaan had. Ik kreeg het er warm en koud van en ik begon te beven van schrik.
Thuis vond ik ons huis leeg. Katja, mijn vrouw, viel nergens te bespeuren. En dus trok ik op zoek naar haar. Ik werd achterdochtiger met de minuut en dacht dat ze van mijn afwezigheid misbruik had gemaakt om de bloemetjes buiten te zetten. Dat deed ze heel graag … uitgaan. Ik zag het zo voor mijn ogen: Katja die met een andere op stap was terwijl ze dacht dat ik in Brussel zat te werken. Bij die gedachte sloeg ik helemaal "tilt." Ik raakte zo in paniek dat ik voorover op de grond viel. Ik dacht echt dat ik een hartaanval had. Ik hapte naar adem als een vis op het droge. Het mocht niet baten. Al mijn spieren verkrampten en al vlug was ik niet meer in staat om nog een vin te verroeren. Ik was totaal verstijfd en het schuim kwam uit mijn mond. "Nu gaan mijn ogen wegdraaien," dacht ik "en dan is het hier met mij gedaan." Maar mijn ogen draaiden niet weg. Gelukkig kwam onze buurvrouw voorbij. Zij zag mij liggen en belde meteen een dokter op.
Katja kwam nog voor de dokter thuis. Ik wou haar vragen waar ze uitgehangen had, maar ik was niet tot spreken in staat. Elke spier van mijn lichaam was zo verkrampt en verstijfd dat ik alleen nog kon denken, denken aan mijn nakende dood.
De dokter nam mijn bloeddruk... '27,' floot hij, en hij schudde zijn hoofd van links naar rechts alsof hij me niet meer kon helpen. Meteen daarop nam hij mijn polsslag. Meer dan tweehonderd, zo bleek. 'Ik vrees dat ik niets meer voor hem zal kunnen doen,' gaf de dokter aan. En dan, zich tot mijn vrouw richtend: 'Hou oud is hij?'
'24,' zei Katja koel.
'Nog zo jong,' vroeg de dokter verbouwereerd. 'Is hij katholiek?'
'Zeer katholiek,' gaf mijn vrouw toe.
'Roep er dan maar een priester bij,' raadde de dokter aan en het klonk, bijna als een bevel. Katja was al onderweg.
Geen kwartier later werd ik bediend. 'Heer, vergeef hem al wat hij misdaan heeft met zijn handen,' stamelde mijnheer pastoor, terwijl hij mijn beide handen zalfde. 'Heer vergeef hem wat hij misdaan heeft met zijn voeten,' ging hij verder, terwijl hij mijn beide voeten zalfde met het heilig oliesel. En dan: 'Heer vergeef hem al wat hij misdaan heeft met zijn verstand,' terwijl hij mijn voorhoofd zalfde. Nu ik goed wist dat ik stervende was en zag dat de dokter en de pastoor daar ook van overtuigd waren, raakte ik nog erger in paniek en ik verloor het bewustzijn...
Daags nadien werd ik springlevend wakker. Ik voelde mij kiplekker en deed alsof er niets aan de hand was geweest. Zaterdag 13 juli probeerde ik uit mijn geheugen te wissen. Het lukte nog ook, tot het weer avond werd. Heel onverwacht kreeg ik weer een gelijkaardige aanval als daags voordien. Weer werd de dokter geroepen. Waarschijnlijk had hij het afgelopen etmaal wat nagedacht over mijn symptomen en de mogelijke oorzaken daarvan. Misschien had hij wel met mijn vrouw gepraat terwijl ik sliep. Zeker is dat hij nu noch mijn bloeddruk, noch mijn hartslag nam. Hij gebood Katja ook niet meer om er een priester bij te roepen. Hij gaf me een injectie met Valium. En weer sliep ik als een roos. En weer werd ik 's anderendaags blakend van gezondheid wakker. Maar weer kreeg ik die avond een nieuwe crisis. En weer werd de dokter erbij geroepen. En weer gaf die me een injectie met Valium en weer sliep ik vast. En zo speelde zich thuis dag na dag hetzelfde tafereel af, zes weken lang … en toen vond de dokter het welletjes. Waarschijnlijk werd hij al die avondlijke huisbezoeken beu. Wat er ook van zij, hij stuurde mij op onderzoek naar het universitair ziekenhuis van Leuven. Daar stelden ze vast dat ik hyperventileerde, meer vonden ze niet ... Ze weigerden mij daarbij nog langer ziekteverlof voor te schrijven en verplichtten mij terug te gaan werken. Ik hoefde zelfs geen dokter te roepen als ik weer zo'n aanval kreeg. Enkele minuten in een plastic zakje in en uit te ademen en dan zou de zuurstof in mijn bloed zich vanzelf normaliseren. En het werkte ook, zij het met mate. De angst en de paniek bleven.
Sindsdien ben ik van de ene huisarts naar de andere specialist getrokken en vandaar van de ene kwakzalver naar de andere. Iedereen gaf me andere raad. Allen wisten ze wat mij mankeerde en wat ik moest doen om te genezen. Alleen scheen hun remedie om een of andere reden niet aan te slaan bij mij.
Aan de beterhand
Vijf lange jaren draaide deze mallemolen op volle toeren. Pas toen kwam een van de vele huisdokters op het idee om mij eens naar een psychiater te sturen. En jawel hoor, ook die wist raad. Ik leed aan een angstneurose. Ik zou voor onbepaalde tijd wekelijks bij hem in analyse moeten komen en daarenboven elke dag Redomex moeten slikken. En jawel hoor, binnen de kortste keren werd ik beter, beter en beter en altijd maar beter … tot ik manisch werd. Ik had geen eten of slaap meer nodig, alleen nog cola en sigaretten. Zo verloor ik elke dag een volle kilogram aan gewicht, maar dat kon de pret niet bederven. Ik floot en danste dag en nacht en deed tussendoor de gekste dingen. Ik was met honderd zaken tegelijk bezig, maar werkte niets af. In feite was ik dag en nacht druk in de weer, maar op de keper beschouwd deed ik niets dat de moeite van het vermelden waard was en ook dat had zijn gevolgen.
De eerste die mij niet meer wilde hebben was Katja. Die belde om de haverklap mijn psychiater op tot die uiteindelijk doorkreeg dat ik niet normaal meer deed. Hij riep mij bij zich … hij had een nieuwe diagnose klaar. 'Jij lijdt niet alleen aan een angstneurose,' wist hij, 'jij bent ook manisch-depressief.' Van die dag af moest ik buiten Redomex ook Lithium slikken. Weinige dagen later begon ik min of meer normaal te functioneren en een paar jaren heb ik redelijk goed gefunctioneerd. Zelfs mijn werkgever was daarover opgetogen en benoemde mij tot inspecteur.
Erg goed voelde ik me nog altijd niet, maar ik beet op mijn tanden en bleef werken, hoewel ik ook dikwijls ziek thuis zat. En dan gebeurde het dat ik met zware familiale problemen te kampen kreeg, die ik hier liever niet vertel. Ik trok me dat zo erg aan dat ik weer hele dagen liep te piekeren en 's nachts bijna niet meer sliep. Het werd zo erg dat ik er psychotisch van werd. Ik zag en hoorde mensen die er niet waren, sommigen waren zelfs al gestorven. Het gebeurde zelfs dat God met mij kwam praten en me alle mysteries van het leven uit de doeken deed. Hoewel ik danig in mijn nopjes was met al die visioenen, was mijn omgeving daar minder mee opgezet. Ik werd afgevoerd naar een psychiatrische kliniek. Daar werd mijn medicatie stopgezet en kreeg ik Imap ingespoten. Na een paar weken werd ik uit die kliniek ontslagen, ofschoon ik me zieker voelde dan ooit voordien. Ik voelde me suf en had nergens nog zin in. Thuis trok ik mijn bed in om er niet meer uit te komen. Dat duurde zolang tot mijn vrouw dat niet meer zag zitten, net zeventien maand later. Ze pakte me op en voerde mij naar een andere psychiatrische instelling. Wij werden daar samen door een psychiater gehoord.
'Dit is mijn man,' begon Katja. 'Hij is nu al meer dan tien jaar zwaar ziek en niemand schijnt hem te kunnen helpen. Spijtig voor hem, maar mijn geduld is op. Ik ben zelf nog maar dertig en ik ben niet van plan om de rest van mijn dagen voor een zieke man te blijven zorgen. Daarom laat ik hem hier achter. Ik hoop dat jullie goed voor hem zorgen, maar bij mij is hij niet meer welkom.' En weg was ze, mijn vrouw.
Gelukkig trof ik in deze kliniek een goede psychiater, een zekere Francis. Francis was pas afgestudeerd en praatte om de week met mij. Hij paste mijn medicatie aan en liet me verder vrij. De medicamenten schenen aan te slaan want al vlug voelde ik me stukken beter. In deze kliniek voelde ik me ook vlug thuis. Daar wilde ik nooit meer weg, ik besloot er de rest van mijn dagen te slijten. De wereld kon mij gestolen worden, ik had er toch alleen maar slechte herinneringen aan. Ik was niet opgewassen tegen de eisen die het normale leven aan mij stelde. Ik was niet opgewassen tegen stress, ja zelfs niet tegen de problemen van elke dag. Zelfs tot werken was ik nooit echt in staat geweest. Ik trok me in de “gewone” wereld altijd alles te veel aan, begon te snel te piekeren, kon niet slapen en raakte zo al vlug in een vicieuze cirkel verzeild. In deze kliniek daarentegen werd niets van mij verwacht. Ik mocht er doen wat ik wilde. Ik fleurde er op. Maar dat was de psychiater ook niet ontgaan. Op een dag, ik was toen al drie maanden in die kliniek, riep Francis mij voor een gesprek.
'En, Felix, wanneer ga jij de draad van je leven weer oppakken?' vroeg hij.
'De draad van mijn leven?' vroeg ik vertwijfeld. 'Mijn leven zal zich voortaan tot deze kliniek beperken, dokter. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld, ik wil hier blijven. De rest van de wereld kan mij gestolen worden. Ik heb daarbuiten niets meer verloren. Ik heb er niets dan ellende gekend. Daar wil ik nooit meer naartoe.'
'En toch zal je moeten,' repliceerde Francis. 'Ik kan je onmogelijk nog langer hier houden. Dat kost te veel aan de maatschappij. Jij moet terug de samenleving in. Je mag wel zelf beslissen wat je daar gaat doen. Wat denk je? Enig idee hoe je het nu verder gaat aanpakken?'
Mijn wereld stortte in. Na dertig jaar lijden in dit leven had ik eindelijk een plaats gevonden waar ik het naar mijn zin had en na drie maand moest ik buiten. Je zou van minder gek worden.
'Maar ik kan hier niet weg, dokter,' probeerde ik nog wat tegen te pruttelen. 'Mijn vrouw wil me niet meer en als ik alleen moet gaan wonen en terug moet gaan werken, dan word ik binnen de kortste keren weer psychotisch. Ik kan die druk niet aan, ik kan niets meer aan. Ik ben een gebroken man. Mijn leven is om zeep. Ik smeek je: laat me hier. Ik wil hier nooit meer weg. Doe me nu toch niet helemaal dood.' Het hielp niet.
'Niemand zegt dat jij terug moet gaan werken,' legde Francis uit. 'En niemand zegt dat jij alleen moet gaan wonen. Het is aan jou om te kiezen wat je wilt en probeer daar dan naartoe te werken. Alleen hier blijven kan niet, dat is te duur en daarvoor ben je niet ziek genoeg.'
'Wat moet ik dan wel doen?' wilde ik wel eens weten.
'Je kunt misschien al beginnen met je een andere vrouw te zoeken, als je toch niet alleen durft te gaan wonen,' opperde Francis.
'Welke vrouw zou mij nog willen?' wierp ik tegen.
‘Kom, kom,’ suste Francis, ‘Er zijn wel vrouwen die begrip opbrengen voor jouw situatie en je beperkingen. Het zal misschien niet gemakkelijk zijn, maar moeilijk gaat ook en dan nog: wie zoekt die vindt en op elke pot past een deksel.'
Ik zoek een vrouw
Weinig later verliet ik die wonderkliniek en huurde ik mij een appartement in Leuven om kort bij mijn kinderen te blijven, zodat die mij konden bezoeken als ze dat wilden. En dat hebben ze altijd gedaan, waar ik hen altijd dankbaar voor zal blijven. Zij zijn de enigen die me door de jaren heen altijd trouw zijn gebleven. Zonder hen had ik zeker al lang zelfmoord gepleegd, gewoon omdat ik zonder hen de zin van het leven totaal niet meer gezien zou hebben. Zij en zij alleen hebben in die moeilijke periode een beetje zin gegeven aan mijn leven en mij in leven gehouden.
Eenmaal alleen in mijn appartement voelde ik mij zo eenzaam dat ik niet anders kon dan op zoek te gaan naar een andere vrouw. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik alleen was en daar werd ik gek van. Van lieverlee liet ik me bij drie huwelijksbureaus tegelijk inschrijven. Het kon niet vlug genoeg gaan. En het ging vlug. Ik contacteerde de ene vrouw na de andere. Spijtig genoeg klikte het nooit. De meesten van die vrouwen waren net als ik gescheiden. Daarenboven hadden ze meestal ook nog kinderen en werk. Op de keper beschouwd zou ik dan overdag toch nog alleen zitten en daarbij ook nog voor hun kinderen moeten zorgen. En het huishouden ook nog moeten doen…. 'Dan hebben wij 's avonds vrij,' zeiden ze in koor, 'en dan kunnen we samen van het leven genieten.'
Maar ik kon dat niet aan. Ik heb het een paar keer geprobeerd… hoorndol werd ik ervan. Willen of niet, ik was gedoemd om de rest van mijn dagen alleen te slijten. Dat deed ik in bed. En dan gebeurde dit.
Op een dag kreeg ik bezoek van een zekere Jolande. Zij was gestuurd door een van die huwelijksbureaus. Zij was gescheiden, had geen kinderen, wel werk. De avonden samen waren leuk, maar de dagen alleen waren niet te harden. "Een mens kan niet alles hebben in het leven," dacht ik bij mezelf en ik probeerde mijn lot te aanvaarden. Toen ik me al verzoend had met de situatie belde de ex van Jolande haar op een avond op om zich te verontschuldigen voor al wat hij haar had aangedaan. Hij beloofde beterschap als zij terugkwam. Jolande kon aan die lokroep niet weerstaan en liet me zonder boe of bah in de steek. Daags nadien al zat ik opnieuw in een psychiatrische instelling met een zware psychose. Ik had de hele nacht niet geslapen, maar veel getreurd, gevloekt en gepiekerd, tot ik weer hallucinaties was beginnen te krijgen. Gelukkig hebben de buren toen de hulpdiensten gebeld, zoniet hadden er toen wel eens ongelukken kunnen gebeuren.
Weer mocht ik niet lang blijven in deze instelling, wegens te duur. In mijn appartement ben ik op bed gaan liggen treuren, dagen, weken aan een stuk, tot ik dringend naar Gent werd geroepen.
Gelukkig hertrouwd
Op een dag moest ik absoluut naar Gent. Met de nodige kalmeermiddelen was ik er nog geraakt ook. Eenmaal mijn verplichtingen volbracht, besloot ik er een van mijn vroegere vrienden te bezoeken, een zekere Michel. En wat bleek. Michel was intussen ook gescheiden en had nadien ook tevergeefs naar een vrouw gezocht. Uiteindelijk was hij hertrouwd met een Filippijnse, met wie hij nu gelukkig was. Toen ik wegging gaf die Filippijnse vrouw mij het adres mee van een van haar vriendinnen die ook wel naar België wilde komen. Myriam was haar naam. Tegen beter weten in en in gebrekkig Engels schreef ik Myriam een brief. Een jaar later stond ik in Zaventem op haar te wachten en weer zes maanden later zijn wij getrouwd. Dat is dit jaar vijfentwintig jaar geleden en volgende maand vieren wij onze zilveren bruiloft.
Met Myriam heb ik het getroffen, niet te geloven. Om je een voorbeeld te geven. Myriam heeft zich in al die jaren nog nooit kwaad gemaakt op mij en heeft mij nog nooit tegengesproken. Zij doet alles voor mij en neemt er mijn ziekte met de glimlach bij. Sinds ik met Myriam ben, ben ik nooit meer opgenomen geweest in een psychiatrische kliniek, twee korte uitzonderingen van een paar dagen niet te na gesproken. De eerste keer gebeurde dat na de dood van mijn vader, de tweede keer na de dood van mijn moeder.
Maar ondanks de goede zorgen van Myriam ben ik al die tijd ziek gebleven. Ik ben tot niets productiefs meer in staat. Al wat ik doe is me te veel en maakt me ziek en als ik niets doe, dan verveel ik me steendood. En toch heb ik een draaglijk levenspatroon proberen op te bouwen, ondanks mijn beperkte mogelijkheden. Zo heb ik geleerd dat ik wel nog in staat ben om af en toe een uurtje te praten met iemand, op voorwaarde dat er alleen maar over de zin en de onzin van leven en dood wordt gepraat, of anders over de problemen waarmee het leven ons opzadelt. En dus bezoek ik elke dag minstens één psychiatrische patiënt om zelf te klagen over al mijn ongemakken en om er te luisteren naar de problemen waar hij mee kampt. Rare bezigheid zal je denken. Kan zijn, maar dat vind ik van die van jou ook, ongeacht wat je doet. Ik zal je uitleggen waarom.
Ooit was ik in behandeling bij een professor psychiatrie, Willem is zijn naam. Na verloop van tijd zei Willem mij op een dag: 'Felix, als je het mij vraagt heb jij meer last van al die existentiële vragen waar jij mee worstelt, dan van je ziekte zelf.' Willem heeft gelijk. Ik vind dit leven immers zo zinloos en absurd dat niets me de moeite waard lijkt om voor te leven. Liefst van al zou ik zo vlug mogelijk willen sterven. Toch zal ik nooit zelfmoord plegen. Ik wil niemand met schuldgevoelens opzadelen. Ik heb ooit een goede vriend gehad die zelfmoord gepleegd heeft. Wel, al zijn vrienden en familieleden waren daar niet goed van en dachten dat zij mede schuldig waren aan zijn dood. Allen zeiden ze in koor: 'Als ik meer aandacht aan hem had besteed en meer tijd voor hem had vrijgemaakt, dan was dit drama waarschijnlijk nooit gebeurd.' Wel, dat wil ik de mijnen besparen.
Ik heb zelfs een tweede reden om geen zelfmoord te plegen. Zo denk ik dat er nog leven is na de dood en dat ik daarin zal moeten boeten als ik mij hier van het leven beroof. Niet doen dus, ook al is het leven dat ik toebedeeld gekregen heb alles behalve een lachertje. Kan je het je voorstellen dat je nergens nog zin in hebt, dat je ziek wordt als je iets moet doen en dat je de muren oploopt als je niets doet? Maar we klagen niet, we proberen het positief te bekijken en ons zoveel mogelijk te verstrooien door al eens te gaan babbelen met lotgenoten en samen een kop koffie te gaan drinken. Verder ben ik erg geïnteresseerd in het boeddhisme en mediteer ik veel. En elke dag maak ik, samen met Myriam, een wandeling om toch aan wat beweging te geraken. 'Je moet dat doen,' zegt mijn psychiater. 'Anders ben je binnenkort niet meer in staat om nog alleen naar de wc te gaan. Die uitspraak speelt me elke dag door het hoofd en dus maak ik af een toe al eens een wandelingetje, ook al is dat niet ver omdat ik met ischias zit opgescheept en nooit langer dan tien minuten kan slenteren wegens de stekende pijn in mijn benen.
Hoewel ik zwaar zenuwziek ben, heb ik, na veel vallen en opstaan en met de hulp van talloze therapeuten en doorheen verschillende opnames, toch leren leven met mijn ziekte. Het heeft wel bloed, zweet en tranen gekost, maar dat geldt wel voor elke sterveling, ook al is hij niet ziek. Het leven is nu eenmaal geen lachertje, voor niemand.
Ik weet dat ik nooit nog in staat zal zijn om iets te presteren dat de moeite waard is. Ik weet dat ik altijd afhankelijk zal zijn van anderen en niet bekwaam ben om zelfstandig te leven. Kortom, ik weet dat ik beperkt ben in doen en laten.
Ik heb er mij ook bij neergelegd dat ik de zin van dit leven nooit zal achterhalen, dat ik met mysteries zal moeten leren leven.
Tot slot heb ik ook moeten leren aanvaarden dat mijn leven niet gelopen is zoals ik dat wilde en dat het lot sterker was dan ikzelf.
En toch valt het leven me nu draaglijker dan ooit voorheen. Hoe dat komt? Waarschijnlijk omdat ik er uiteindelijk in geslaagd ben mij min of meer te verzoenen met de situatie waarin ik verzeild ben geraakt. Maar wie moet dat niet?
FELIX SPERANS

