Ben
Het is feest.De hele familie zit samen aan de grote koffietafel in de eetkamer. Ze vieren de verjaardag van Ben, de grootvader. Hij wordt zeventig.
De avond valt maar er brandt nog geen licht in het schemerdonkere vertrek, waar zelfs bij klaarlichte dag de zon het laat afweten. Het is er warm en benauwd. De kachel staat te gloeien. Er heerst een broeierige sfeer.
Ben voert het woord. Hij vertelt over zijn jeugd, toen het allemaal zoveel beter was dan nu. Zijn stokpaardje op familiefeesten. Zijn geestdrift stijgt evenredig met de hoeveelheid wijn die hij gedronken heeft.
Plots, een poosje na het eten, vervalt hij in een vreemdsoortige stilte. Hij zit iedereen zwijgend aan te gapen, met lege ogen.
‘Louis,’ brabbelt hij haast onhoorbaar, ‘waar is Louis?’
Alle ogen richten zich naar hem en staren hem verwonderd aan.
‘Je broer?’, vraagt zijn vrouw, ‘bedoel je je broer?’
‘Ah ja, waarom is hij niet naar mijn verjaardagsfeest gekomen? Heb je hem niet gevraagd dan?’
‘Maar Ben toch, je broer is al vijf jaar dood. Je was er zelf bij toen hij begraven werd.’
‘Louis, dood!’, roept hij verbaasd uit. ‘Maar,…’
Hij breekt zijn zin af en schudt meewarig het hoofd, alsof alles hem opeens duidelijk wordt. Dan begint hij te huilen, met hevige snikken.
‘Louis is dood en begraven, hoe kon ik dat in Godsnaam vergeten! Ben ik misschien gek aan het worden?’
‘Ach Ben, trek het je niet zo aan,’ sust zijn vrouw en kijkt hem liefdevol aan. Achter die blik vreet er iets aan haar. Ze vraagt zich af wat er de laatste tijd met hem aan de hand is. De perioden van helderheid wisselen zich steeds vaker af met perioden waarin hij het noorden kwijt is en wartaal uitkraamt.
Ben zit op de sofa met zijn handen voor zijn ogen. Hij kreunt en zucht. Karen, zijn oudste dochter zit naast hem en tracht iets uit hem te krijgen, al weet ze niet wat. Ze neemt zijn hand in de hare maar die trekt hij ijlings terug, alsof hij angst heeft aangeraakt te worden.
Ze smeekt hem bijna opdat hij zou luisteren, opdat hij hulp zou zoeken, hulp zou aanvaarden. Maar dat wil hij niet meer.
Drie keer hebben ze hem kunnen overhalen om een psychiater te consulteren, op advies van de huisarts, bij wie Ben al jarenlang in behandeling is en die het nu stilaan ook niet meer ziet zitten. Misschien dat een psychiater…
Die psychiater sprak over internering en dat woord deed de stoppen in Bens hoofd doorslaan. Sindsdien is het woord psychiater taboe.
‘Wat scheelt er met je?’, vraagt Karen, ‘kun je mij dat niet zeggen papa?’
Ben kijkt zijn dochter aan met een levenloze blik in zijn ogen. Er rollen tranen over zijn verrimpelde wangen.
‘Jij kunt dat niet begrijpen, daar ben je veel te jong voor.’
Hij spreekt langzaam, met een dikke tong, alsof hij stomdronken is.
‘Ik zou het kunnen proberen, papa, geef me een kans.’
‘Wat baat het die oude onzin op te rakelen?’
Zijn stem breekt en hij trekt zijn hand abrupt terug. De tranen biggelen nu over zijn wangen. Zijn lichaam schokt.
Een kleine vervallen arbeiderswoning in een smal steegje. De muren hebben er oren.
Een kleine jongen, in lompen gekleed, loopt op blote voeten door het huis. Hij stopt voor de glazen deur die de keuken van de eetkamer scheidt. Het glas is eruit. Hij ziet de bebloede handen van zijn moeder, die in haar blinde woede het glas aan diggelen sloeg.
Hij hoort haar nog roepen met een stem die hij niet van haar kent, alsof ze bezeten is door een dolle hond.
‘Allemaal uw schuld, godverdomme, vanonder mijn ogen en neem dat mormel mee!’
Dan de zacht sussende stem van zijn vader: ‘Wees toch redelijk, Clara, denk aan het kind, het kan ons horen.’
Het schrille gehuil van zijn moeder overstemt alles. Angst beklemt hem.
‘Papa, je weet toch dat ik ook bij een psychiater in behandeling ben geweest.’, zegt Karen.
Zijn ogen kijken haar nietszeggend aan.
‘Ik ben niet ziek.’, zegt Ben fel.
‘Waarom ben je dan zo droevig?’, vraagt Karen voorzichtig.
‘Hoe zou jij dat kunnen begrijpen, wat weet jij van me af. Niets.’
‘Ik weet wat het is om depressief te zijn, je moet erover praten of je gaat eraan kapot.’
‘Hoe ben jij er dan uitgeraakt?’, vraagt hij.
‘Vooral door te praten,’ zegt ze, ‘en ook met medicijnen.’
‘Ik ben veel te oud,’ zucht hij, ‘mij kunnen ze niet meer helpen, het is te laat.’
‘Weet je wat jouw grootste probleem is, papa? Jij bent te trots om toe te geven dat je depressief bent. Jij wil niet geholpen worden!’
‘Wat zeg je daar?’, roept Ben verbaasd, ‘je begrijpt er geen snars van, hoe durf je zo te spreken tegen je eigen vader, snotneus die je bent. Bemoei je voortaan met je eigen zaken. Denk maar niet dat ik jou iets vertel!’
Zijn lichaam spant zich op als een veer. Zijn gelaat gloeit.
Dan gaat hij weer zitten en hult zich in een ijzig stilzwijgen. Karen geeft hem een zoen en zegt dat ze naar huis gaat. Hij mag haar altijd bellen, zegt ze nog voor ze de deur achter zich toetrekt.
Tussen de vier muren breekt de hel los.
‘Ze zullen me opsluiten, de smeerlappen,’ brult Ben, ‘net zoals ze met mijn moeder gedaan hebben.’
Waar hebben ze haar heengebracht, zijn moeder die hysterisch werd en alles aan diggelen begon te slaan. Waarom deed ze dat?
Hij was toch altijd een braaf en volgzaam kind geweest, had altijd getracht haar liefde te kunnen winnen. Het was nooit gelukt. Had hij gefaald?
Hij hoorde sirenes en gierende banden voor de deur.
Twee handen grepen hem beet en stopten hem in de kelder. Ineengedoken als een dier kroop hij in een hoekje weg achter de kast.
Hij hoorde zijn moeder brullen dat horen en zien verging.
Radeloos stopte hij zijn hoofd tussen zijn benen en huilde met haar mee.
De voordeur sloeg met een knal toe. Het werd stil in huis. Iemand opende de deur van de kelder.
‘Ben, waar zit je?’, vroeg zijn vader.
De zacht snikkende geluidjes verrieden hem.
‘Rustig maar jongen, rustig maar, alles komt wel in orde.’
Honderden vragen suisden door zijn hoofd, maar hij vroeg niets.
Twee dagen later krijgt Karen telefoon van haar moeder. Met snikkende stem vertelt ze dat Ben is weggebracht naar een psychiatrische inrichting, na een woedebui waarbij hij het meubilair kort en klein begon te slaan. Ze was er niet in geslaagd hem te kalmeren. Ze had uiteindelijk de huisarts gebeld. Die was in allerijl gekomen en had Ben een kalmeerspuit toegediend. Hij had een ambulance gebeld. Even later stapten twee mannen in witte pakken de woonkamer binnen en ze namen Ben mee. Gedwee liet hij zich meevoeren. Zonder verzet.
Liliane Melis

